Dichtbij

bloemetjes en de bijtjes

Een stoel zet ik neer

in het natte kort geknipte gras

witte plastic poten drukken de sprieten plat

 

Een roze azalea bloeit onstuimig

flinterdunne bloemblaadjes waaien heen en weer

de blaadjes overlappend, om en om, gedrapeerd

 

Een hommel zuigt de nectar uit de bloem

onderwijl klinkt laag gezoem

de haren van haar achterlijf strelen het blad

ze bedanken de bloem omdat deze de nectar niet vergat

 

De katers maken ruzie

halen uit naar het andere lijf,

bang dat er met z’n tweeën een brokje minder,

voor de een

of de ander,

overblijft

 

Opgeklopte melk wordt in de koffie gegoten

en de aardbeien verdwijnen onder een laag zoete room

Het bier met kraag schuimt over de rand

Kruimels worden van tafel geveegd,

met de hand

 

 

Alles raakt aan

Alleen wij niet

 

We zitten anderhalve meter

ruimschoots uit elkander

Praten over niks

en alles

wat er is veranderd

 

Ondertussen denk ik aan zijn knuffel

Zoals hij dat altijd doet

Mij optilt als een spriet

alsof ik ben

een dunne griet

Ik hoop dan dat zijn rug niet kraakt

voordat ik weer de grond aanraak

 

Of de geur die wemelt in haar hals

en de warme zachte armen

die alles, ook wat koud is, verwarmen

Armen met sproeten en vlekken

die vertellen over leven

en je met liefde toedekken

 

Het voelt onnatuurlijk

zoveel ruimte tussen jou en mij

Maar weet

mijn hart

is wel dichtbij

Piepklein en levensgroot

Kippies

Vogels fluiten buiten,

Onverstoord en in hun schik.

Kippen duwen gras opzij,

en pikken vette regenwormen uit de klei.

 

Deze dagen zit ik binnen,

bekijk de wereld door een glas.

 

Die wereld staat stil en draait door,

om 9.55 uur.

Een vreemde tijd,

alsof we (even?) zijn ontspoord.

Afgeslagen op een punt,

waarbij de oorspronkelijke route werd uitgegumd.

 

Een heel klein deeltje,

maakt de zorgen groot.

Voor kinderen in den vreemde,

of voor mensen op een boot.

Voor familieleden met kwetsuren,

of voor mensen in nood.

Voor de mensen die zorgen,

voor de dagen van morgen.

 

Een heel klein deeltje,

maakt de daden groot.

Van iedereen die zorgt, poets, vergadert, vult, rijdt en regelt,

voor een ander thuis of in nood.

We zien en voelen,

dat jij bent mij en ik ben jou.

Zorgen voor elkaar,

omdat ik van jou

en van leven hou.

Kill your darlings

Ik heb geen zin om mijn schatjes te killen

en het overbodige weg te villen

Ik sta liever in mijn blote billen

langs de snelweg van de kou te rillen

Ja, dit kan weg en dit voegt niets toe

Maar ik zeg..ammehoe

Laat mij klooi aan

en dit is ruis

Zonder

Hoor je alleen de koelkast razen

en op teevee de grote mensen blazen

Dompel je onder in allemaal feiten

maar de waarheid is pleiten

Denken mensen dat ze alles weten

zijn de feiten alweer versleten

Ik laat de lieveling lekker staan

Tot ik ben gekomen onderaan

Dan komt een einde aan de brij

en dansen de letters vrij

De kater en de sneeuw

Wit gras

Natte sneeuw dwarrelt naar benee

De tuin kleurt wit

Maar de stenen blijven grauw

Omdat de vlok daar niet liggen blijven wou

De kater tuurt naar buiten

Staart omhoog in de lucht

Staat op en strekt uitgebreid zijn rug

Hij slentert van het uitzicht weg

Vlijt zich op zijn buik

Miauwt zacht als hij zijn ogen sluit

Geen natte sneeuw, geen muis, geen man

Niets

dat hem vandaag behagen kan

Het is wat

Ik knijp mijn ogen stijf dicht om het niet te horen

Ik leg mijn handen over mijn oren om het niet te zien

 

Ik leg de woorden en de beelden in een hoekje

veeg mijn voeten erop af

Ik stuif de kamer uit

draai de deur op slot

zodat het wegkwijnt en vergeten wordt

onder dikke lagen stof

 

Ik klem mijn lippen tot een rechte streep

Ik gooi de letters door elkaar 

ik zwijg, ik dwaal

ik vergeet het allemaal

 

Jaren later. Grijp ik een strofe vast.

Waarom? Om mij achter te verschuilen?

“Kijk daar. Ik kon er niets aan doen.”

Heb ik schuld? Of ben ik bang dat mensen zeggen:

“Stel je niet aan. Moet je horen…”

En mijn oren worden met lege lucht gevuld.

 

Ik praat met wijze mensen

Over blijvende gebreken

Hoe ik ervan afkom

had mij zinvoller geleken

 

We hebben blauwe plekken en scheuren op ons lijf

We vallen over eigen en uitgestoken benen

Liggen languit op de grond

Het hart hapert

Maar herpakt zich,

luidt

“tik, tik, tik,” en

loopt weer rond

 

Nu staat ik in de kamer

De kamer die zolang gesloten bleef

Ik tuit mijn lippen

ik blaas

het stof van het relaas

 

Ik lees hardop

en het water welt op

Maar de wangen blijven droog

Want ik luister en ik hoor

Ik ga er niet vandoor

 

De letters maken woorden

wat het is,  wordt mijn verhaal

Ik zet het in mijn boekenkast

En deze keer hou ik het vast

Want wat het is, is mijn verhaal

Hulp geboden

Een schelpdier kruipt uit haar schulp en smeekt om hulp

Help

Een hulp kruipt uit haar schulp en schreeuwt help

Help

Het is afgelopen met de hulp

 

Help schreeuwt het schelpdier

Nog een keer

Maar een bek gaat open

En de grote grijze vis slurpt

Te laat geboden is de hulp

De struik en de reis

Het stormt. De wind waait krachtig om het oude huis. Het huis kraakt en de wind loeit. De toppen van de takken van de vlinderstruik zwiepen heen en weer. Ze draaien cirkels in de wind. Het is een dans. Al duurt het een tijd voordat je meedeint op een melodie.  Waar de takken van de struik vanuit de kleverige natte klei naar buiten piepen staan ze stil. In het begin staan de takken stevig in de grond en  houden ze elkaar vast. Een ‘houtgreep’.

De toppen zijn als snaren op een gitaar. De wind raakt met zijn onzichtbare vingers de draden aan en speelt met ze. Soms spelen de takken en lichtgroene bladeren een wedstrijd. Ze schuren en stoten tegen elkaar. “Bling, blong”, klinkt het in je hoofd. Maar meestal buigen de scheuten eenzelfde richting op. Ze dansen  met elkaar en raken niet verstrikt maar walsen sierlijk. Cirkels en achten in de lucht. Zonder ophouden.

De takken dragen een honderdtal uitgebloeide bloemen, een soort pluimen,  die zijn blijven hangen na een zinderende zomer. Een zomer waarin je om de vijf minuten het zweet van je voorhoofd veegde en verkoeling zocht in het blauw witte plastic zwembad. Aan het einde van die zomer kleurde de bloei helder wit en geurde bedwelmend. Een najaar en een winter later zijn de bloembladen bruin met een roodachtige  gloed. De geur is verdwenen. Opgelost. Ook de paars bloeiende vlinderstruiken kleuren in de winter bruin. De paarse en witte struiken worden even hetzelfde voordat ze zich in het voorjaar weer verkleden en onderscheiden. 

In de bruine bloembladen zitten veel zaden. Je hoort de struik als het ware de wind roepen. “Kom hier. Haal mij op, ik vlieg met je mee tot ik zin heb om te landen.” Als een zaadje op een stoeptegel landt dan zorgt het met vereende krachten of door toeval dat het in een kiertje tussen de tegels terechtkomt. Het zaadje zakt voldaan in de grond tot het in het voorjaar als heuse plant tussen de stoeptegels door omhoog gekropen komt. Naar het licht toe. “Ik bepaal waar ik groei,  niet jij”, zegt het zaadje. Je trekt de plant uit de grond maar de wortel blijft hardnekkig steken. Dus de volgende jaren herhaal je de handeling op diverse dezelfde plekken.

Als je je ogen sluit, vraag je je af hoe het zou zijn als de plant je een verhaal kon vertellen. Over waar hij vandaan komt. Waarschijnlijk uit China. Maar waarschijnlijk, dus misschien ook niet. En wanneer kwam dan de eerste? En waar en hoe?  Met wie? Over land? Over zee? Met een vogel? Met een ontdekkingsreiziger? Een slaaf, een koopman? Waar stonden de eerste vlinderstruiken? Welke neuzen op de wereld hebben aan de struiken geroken? Wat dachten al die hersens die aan die neuzen vastzaten? Niks of net heel veel?

Je opent je ogen. Deze gedachten brengen je nergens. Je kijkt naar de takken die zwiepen in de wind. Tot de wind gaat liggen.