Dichtbij

bloemetjes en de bijtjes

Een stoel zet ik neer

in het natte kort geknipte gras

witte plastic poten drukken de sprieten plat

 

Een roze azalea bloeit onstuimig

flinterdunne bloemblaadjes waaien heen en weer

de blaadjes overlappend, om en om, gedrapeerd

 

Een hommel zuigt de nectar uit de bloem

onderwijl klinkt laag gezoem

de haren van haar achterlijf strelen het blad

ze bedanken de bloem omdat deze de nectar niet vergat

 

De katers maken ruzie

halen uit naar het andere lijf,

bang dat er met z’n tweeën een brokje minder,

voor de een

of de ander,

overblijft

 

Opgeklopte melk wordt in de koffie gegoten

en de aardbeien verdwijnen onder een laag zoete room

Het bier met kraag schuimt over de rand

Kruimels worden van tafel geveegd,

met de hand

 

 

Alles raakt aan

Alleen wij niet

 

We zitten anderhalve meter

ruimschoots uit elkander

Praten over niks

en alles

wat er is veranderd

 

Ondertussen denk ik aan zijn knuffel

Zoals hij dat altijd doet

Mij optilt als een spriet

alsof ik ben

een dunne griet

Ik hoop dan dat zijn rug niet kraakt

voordat ik weer de grond aanraak

 

Of de geur die wemelt in haar hals

en de warme zachte armen

die alles, ook wat koud is, verwarmen

Armen met sproeten en vlekken

die vertellen over leven

en je met liefde toedekken

 

Het voelt onnatuurlijk

zoveel ruimte tussen jou en mij

Maar weet

mijn hart

is wel dichtbij

Piepklein en levensgroot

Kippies

Vogels fluiten buiten,

Onverstoord en in hun schik.

Kippen duwen gras opzij,

en pikken vette regenwormen uit de klei.

 

Deze dagen zit ik binnen,

bekijk de wereld door een glas.

 

Die wereld staat stil en draait door,

om 9.55 uur.

Een vreemde tijd,

alsof we (even?) zijn ontspoord.

Afgeslagen op een punt,

waarbij de oorspronkelijke route werd uitgegumd.

 

Een heel klein deeltje,

maakt de zorgen groot.

Voor kinderen in den vreemde,

of voor mensen op een boot.

Voor familieleden met kwetsuren,

of voor mensen in nood.

Voor de mensen die zorgen,

voor de dagen van morgen.

 

Een heel klein deeltje,

maakt de daden groot.

Van iedereen die zorgt, poets, vergadert, vult, rijdt en regelt,

voor een ander thuis of in nood.

We zien en voelen,

dat jij bent mij en ik ben jou.

Zorgen voor elkaar,

omdat ik van jou

en van leven hou.

Kill your darlings

Ik heb geen zin om mijn schatjes te killen

en het overbodige weg te villen

Ik sta liever in mijn blote billen

langs de snelweg van de kou te rillen

Ja, dit kan weg en dit voegt niets toe

Maar ik zeg..ammehoe

Laat mij klooi aan

en dit is ruis

Zonder

Hoor je alleen de koelkast razen

en op teevee de grote mensen blazen

Dompel je onder in allemaal feiten

maar de waarheid is pleiten

Denken mensen dat ze alles weten

zijn de feiten alweer versleten

Ik laat de lieveling lekker staan

Tot ik ben gekomen onderaan

Dan komt een einde aan de brij

en dansen de letters vrij

De kater en de sneeuw

Wit gras

Natte sneeuw dwarrelt naar benee

De tuin kleurt wit

Maar de stenen blijven grauw

Omdat de vlok daar niet liggen blijven wou

De kater tuurt naar buiten

Staart omhoog in de lucht

Staat op en strekt uitgebreid zijn rug

Hij slentert van het uitzicht weg

Vlijt zich op zijn buik

Miauwt zacht als hij zijn ogen sluit

Geen natte sneeuw, geen muis, geen man

Niets

dat hem vandaag behagen kan

Het is wat

Ik knijp mijn ogen stijf dicht om het niet te horen

Ik leg mijn handen over mijn oren om het niet te zien

 

Ik leg de woorden en de beelden in een hoekje

veeg mijn voeten erop af

Ik stuif de kamer uit

draai de deur op slot

zodat het wegkwijnt en vergeten wordt

onder dikke lagen stof

 

Ik klem mijn lippen tot een rechte streep

Ik gooi de letters door elkaar 

ik zwijg, ik dwaal

ik vergeet het allemaal

 

Jaren later. Grijp ik een strofe vast.

Waarom? Om mij achter te verschuilen?

“Kijk daar. Ik kon er niets aan doen.”

Heb ik schuld? Of ben ik bang dat mensen zeggen:

“Stel je niet aan. Moet je horen…”

En mijn oren worden met lege lucht gevuld.

 

Ik praat met wijze mensen

Over blijvende gebreken

Hoe ik ervan afkom

had mij zinvoller geleken

 

We hebben blauwe plekken en scheuren op ons lijf

We vallen over eigen en uitgestoken benen

Liggen languit op de grond

Het hart hapert

Maar herpakt zich,

luidt

“tik, tik, tik,” en

loopt weer rond

 

Nu staat ik in de kamer

De kamer die zolang gesloten bleef

Ik tuit mijn lippen

ik blaas

het stof van het relaas

 

Ik lees hardop

en het water welt op

Maar de wangen blijven droog

Want ik luister en ik hoor

Ik ga er niet vandoor

 

De letters maken woorden

wat het is,  wordt mijn verhaal

Ik zet het in mijn boekenkast

En deze keer hou ik het vast

Want wat het is, is mijn verhaal

Hulp geboden

Een schelpdier kruipt uit haar schulp en smeekt om hulp

Help

Een hulp kruipt uit haar schulp en schreeuwt help

Help

Het is afgelopen met de hulp

 

Help schreeuwt het schelpdier

Nog een keer

Maar een bek gaat open

En de grote grijze vis slurpt

Te laat geboden is de hulp

De struik en de reis

Het stormt. De wind waait krachtig om het oude huis. Het huis kraakt en de wind loeit. De toppen van de takken van de vlinderstruik zwiepen heen en weer. Ze draaien cirkels in de wind. Het is een dans. Al duurt het een tijd voordat je meedeint op een melodie.  Waar de takken van de struik vanuit de kleverige natte klei naar buiten piepen staan ze stil. In het begin staan de takken stevig in de grond en  houden ze elkaar vast. Een ‘houtgreep’.

De toppen zijn als snaren op een gitaar. De wind raakt met zijn onzichtbare vingers de draden aan en speelt met ze. Soms spelen de takken en lichtgroene bladeren een wedstrijd. Ze schuren en stoten tegen elkaar. “Bling, blong”, klinkt het in je hoofd. Maar meestal buigen de scheuten eenzelfde richting op. Ze dansen  met elkaar en raken niet verstrikt maar walsen sierlijk. Cirkels en achten in de lucht. Zonder ophouden.

De takken dragen een honderdtal uitgebloeide bloemen, een soort pluimen,  die zijn blijven hangen na een zinderende zomer. Een zomer waarin je om de vijf minuten het zweet van je voorhoofd veegde en verkoeling zocht in het blauw witte plastic zwembad. Aan het einde van die zomer kleurde de bloei helder wit en geurde bedwelmend. Een najaar en een winter later zijn de bloembladen bruin met een roodachtige  gloed. De geur is verdwenen. Opgelost. Ook de paars bloeiende vlinderstruiken kleuren in de winter bruin. De paarse en witte struiken worden even hetzelfde voordat ze zich in het voorjaar weer verkleden en onderscheiden. 

In de bruine bloembladen zitten veel zaden. Je hoort de struik als het ware de wind roepen. “Kom hier. Haal mij op, ik vlieg met je mee tot ik zin heb om te landen.” Als een zaadje op een stoeptegel landt dan zorgt het met vereende krachten of door toeval dat het in een kiertje tussen de tegels terechtkomt. Het zaadje zakt voldaan in de grond tot het in het voorjaar als heuse plant tussen de stoeptegels door omhoog gekropen komt. Naar het licht toe. “Ik bepaal waar ik groei,  niet jij”, zegt het zaadje. Je trekt de plant uit de grond maar de wortel blijft hardnekkig steken. Dus de volgende jaren herhaal je de handeling op diverse dezelfde plekken.

Als je je ogen sluit, vraag je je af hoe het zou zijn als de plant je een verhaal kon vertellen. Over waar hij vandaan komt. Waarschijnlijk uit China. Maar waarschijnlijk, dus misschien ook niet. En wanneer kwam dan de eerste? En waar en hoe?  Met wie? Over land? Over zee? Met een vogel? Met een ontdekkingsreiziger? Een slaaf, een koopman? Waar stonden de eerste vlinderstruiken? Welke neuzen op de wereld hebben aan de struiken geroken? Wat dachten al die hersens die aan die neuzen vastzaten? Niks of net heel veel?

Je opent je ogen. Deze gedachten brengen je nergens. Je kijkt naar de takken die zwiepen in de wind. Tot de wind gaat liggen.

Een cynische bui trekt over

Een meditatief muziekje trekt haar weg uit een droom. Op de achtergrond van het mechanisch klinkend deuntje fluiten vogels mee. Vast om het opstaan in het pikkedonker te verlichten. De vogels buiten zijn muisstil. Zij gaan nog niet uit de veren.

Op een automatische piloot voert ze haar ochtendrituelen uit. Onderbroek aantrekken. Broek en trui zoeken. Naar de badkamer. Zichzelf een beetje oppoetsen en insmeren met een fris nep natuurluchtje. Ontbijt en lunch klaarmaken. Kop zwarte koffie drinken terwijl ze zittend aan de ontbijttafel tien minuten in het donker staart. Het donker kijkt niet terug. Ze verdwijnt erin. Net als gedachten die komen maar ook weer verdwijnen zonder dat ze ergens zijn blijven hangen.

Ze zet haar lege kop op het aanrecht en raapt haar werktas van de vloer. Ze draait de voordeur van het slot en stapt naar buiten. De regen in. Het regent voor de achthonderdnegentigste dag op rij. Is de zon er nog?

Ze stapt in haar auto. Onderweg zijn er veel tegenliggers. Koplampen verblinden haar en ze wendt telkens even haar ogen af. Na 33 minuten en 17 seconden, geen record, draait ze de parkeerplaats bij haar werk op. De meeste parkeerplekken zijn bezet. Ze moet genoegen nemen met een krappe plaats in de hoek. Ze zet handig haar wagen weg en wrijft met haar hand over het dashboard alsof de auto een levend wezen is dat ze bedankt voor de rit. Ze stapt uit.

Uit haar tas vist ze een toegangskaart. De kaart geeft haar een vreemd gevoel. Waarom eigenlijk?, vraagt ze zich af. Is het omdat het andere mensen buiten houdt? Is het een symbool van macht? Is het omdat het een andere manier van inklokken is? Denk je dat iemand controleert wanneer jij naar binnen en naar buiten loopt? Is het omdat zij zichzelf met de kaart toegang verschaft tot alle vragen die ze vandaag weer moet beantwoorden?

Ze weet het niet. Zucht diep en schudt haar hoofd alsof ze alle vragen via haar oren naar buiten veegt. Ze houdt de kaart voor de lezer. Het lampje licht groen op en de deur zwiept automatisch open. Ze stopt de kaart terug in haar tas.

Binnen op de begane grond is het druk. Tik tik tik. Geroezemoes. De koffieautomaat reutelt. Ze zwaait in het voorbijgaan naar Tanja, een collega. Tanja knikt terug en buigt zich weer over haar toetsenbord om verder te tikken. Tanja was vorige week een paar dagen ziek en ze zal door moeten pezen wil ze niet ontslagen worden. Bij een achterstand van 337 onbeantwoorde mails lig je eruit. Daar is geen speld tussen te krijgen. Het programma heeft dat uitgerekend. Je account wordt automatisch afgesloten. Je kaart moet je binnen 7 minuten inleveren bij de speciale brievenbus en dan komen de Tariks binnen 1 minuut om je naar buiten te begeleiden.

Op de eerste vier verdiepingen zijn alle werkplekken bezet ziet ze op het grote overzichtsscherm. Maar op de vijfde is nog plek. Ze logt in en checkt haar mail. 97 onbeantwoorde mails. Dat is te doen en ze begint te tikken en te vinken. Eerst werkt ze de makkelijke vragen met code 1 t/m 43 weg en ze bewaart de mails met code 44 voor het laatst. Die kosten vaak veel tijd en tijd is net waar ze snel tekort aan heeft.

Om 12.15 uur loeit het alarm en gaan de schermen op zwart. Lunchtijd. Maar de meeste werknemers klikken gelijktijdig op controlaltdelete en deblokkeren het scherm met code 777. Ook lunchtijd is kostbaar en als je zorgt dat er geen kruimels op het toetsenbord terecht komen mag en kan je doorwerken.

Ze besluit haar lunchtijd te benutten. Ze heeft exact dertig minuten en ze stapt in de lift naar de 31ste verdieping. Met haar kaart krijgt ze sinds een jaar toegang tot het dakterras.

Buiten is ze alleen. De regendruppels vallen gestaag op haar neer en druppen van haar regenjas op haar schoenen. Ze eet haar ontbijt en lunchpakket gedachteloos achter elkaar op terwijl ze naar het spiegelend glas van de hogere flatgebouwen aan de overkant tuurt. Ze ziet niemand, alleen zichzelf en wat grijze lucht.

Na 28 minuten piept haar horloge en spoedt ze zich terug naar de lift. Ze moet wachten. Dat lijkt langer te duren dan normaal. “Misschien zijn de Tariks net met iemand onderweg,” denkt ze. Maar dan houdt de lift eindelijk halt. In de lift strikt ze haar loszittende veters. Na 33 minuten is ze terug op haar werkplek. Ze zucht. Ze is te laat. Het scherm is paars en er flikkert een waarschuwing op het scherm. Ze krijgt 54 extra mails te verwerken, 16 voor elke minuut die ze te laat is.

Ze zit en wil snel aan de slag. Ze klikt op code 17. Die zijn makkelijk en vlot te verwerken. Dat mag echter niet. Ze krijgt weer een waarschuwing. Ze heeft teveel codes 44 nog niet beantwoord en daar moet ze er eerst twintig van wegwerken voordat ze weer andere onbeantwoorde mails kan afhandelen.

Ze begint gestructureerd en precies te werken. Als het alarm kort en zachtjes afgaat omdat het 18.00 uur is, heeft ze 8 codes 44 afgehandeld. Ze besluit net als het overgrote deel van haar collega’s door te werken. Als voor de derde keer zacht maar langer het alarm luidt houdt ze het voor gezien. Op de afdeling zijn nog dertig mensen aan het werk als ze haar jas aantrekt. Het is na tienen als ze vertrekt.

Op de weg naar de uitgang komt ze enkele collega’s tegen. Ze lopen met haar mee. Ze zijn uitgelaten en haast extatisch want ze hebben, na vandaag, zes dagen goedgekeurd verlof. Ze gaan samen feesten en op pad in een resort van de company. Ze vertrekken direct vanaf het werk en komen vlak voordat ze moeten beginnen terug. Zo maken ze optimaal gebruik van hun tijd. Alles wordt geregeld, de activiteiten, het eten, de drank en de (tijdelijke) partners. Zo heb je nergens meer omkijken naar en kan je toch op avontuur. Of niet?

Ze zwaait haar collega’s in het donker uit. Ze is een tikkeltje jaloers maar ze werkt nog maar acht jaar bij dit bedrijf en dan heeft ze deze privileges nog niet.

Thuisgekomen na 35 minuten en 22 seconden gooit ze haar tas in de hoek en gaat naar boven. Ze doucht, droogt zich af en stapt in bed. In een mum van tijd is ze in diepe slaap.

De volgende ochtend herhaalt het ritueel zich en is ze na 34 minuten en 58 seconden op het werk.

Ze opent haar mail en ziet 187 onbeantwoorde mails. Ze moet nog 7 codes 44 afhandelen voordat ze met andere codes aan de slag kan. Ze slaat vandaag haar lunch over. Als op het einde van de dag het alarm voor de vierde en laatste keer luidt, sluit ze met een voldaan gevoel de computer af.

Ze heeft nog maar 20 onbeantwoorde mails.

Ze stapt naar buiten. Het is donker. Het is droog. Voor het eerst sinds achthonderdeenennegentig dagen.

Stromen

Marit zit vast. In haar hoofd, in haar maalstroom van gedachten. Het voelt echter alsof ze ook lichamelijk aan één plek gebonden is en slechts minimale bewegingsruimte heeft. Onzin natuurlijk. Ze kan zo de deur uitlopen. Niemand die haar, tegen haar zin, tegenhoudt. Naar noord, zuid, oost of west.

Haar ‘vastzitten’ is eigenlijk ‘loshangen’. Een tijdsgebonden diagnose. Heel veel is mogelijk. Als Marit niet ‘álles’ doet wat ze wil of kan doen, dan heeft ze dat aan zichzelf te wijten. Dit eenvoudig gegeven beneemt haar vaak de adem. Het verlamt. Ze blijft staan. Ze komt niet vooruit en achteruit is geweest.  Marit denkt en wikt en weegt. 

Ze staat op een kruispunt. Links, rechts, rechtdoor. “Waar moet ik heen?”, vraagt ze zich af.

Links.

Ze trekt een sprintje en slaat af naar links. “Niet nadenken, doen. Niet achterom kijken,” zegt ze tegen zichzelf. Ze rent door totdat ze helemaal buiten adem is en misselijk. Ze kokhalst. Er komt wat groene, zure gal naar boven. Ze spuugt het uit. Koude lucht stroomt door haar keel naar binnen. Het doet pijn. Na een paar minuten voorovergebogen stilstaan, heeft ze zichzelf weer onder controle. Ze richt zich op en ze kijkt om zich heen.

Ze staat op de stoep in een grote drukke straat. Het verkeer zoeft voorbij. Trams rinkelen als ze passeren. Marit kijkt omhoog. Een vliegtuig zweeft hoog boven de flatgebouwen in de stad. Ze wandelt verdwaasd door totdat ze een terras ziet waar ze kan zitten om bij te komen. Ze neemt plaats op een rieten stoel. Ze voelt zich confuus en ze kijkt verbaasd naar de vreemde outfit die ze draagt. “Wat is er aan de hand?”, murmelt ze.

Als ze vijf minuten op het terras zit, komt een man met haastige tred op haar toelopen. Zijn armen in verbazing wijd open gesperd. “Marit, wat doe jij hier?”, roept hij. “Jij zou Kim toch van school halen?”. “O ja,” stamelt Marit die rood aanloopt. Ze is helemaal vergeten dat ze haar dochter moet ophalen. ‘Ik dacht dat jij met mij mee zou willen lopen naar school, daarom zit ik hier te wachten David,’ mompelt ze, snel een uitvlucht verzinnend. Terwijl duizend herinneringen in haar verbeelding over elkaar duikelen en om aandacht vragen.

De school ligt dichtbij. De weg weet ze als vanzelf te vinden. Een automatisch piloot die aanslaat. Kim staat al ongeduldig op haar ouders te wachten. “Mamma, kijk eens wat ik kan!” roept Kim blij, terwijl ze een pirouette draait. Marit slaat haar armen om David heen terwijl een warm gevoel zich in haar buik nestelt. Roekoe. Ze trekt David stevig, te stevig, tegen zich aan. “Gekkie, ik ga nergens heen” zegt David. “Jawel,” fluistert Marit zachtjes in zijn oor. “Wij gaan naar huis.”

Rechts.

Marit loopt langzaam de hoek om, naar rechts. Ze kijkt een paar keer over haar schouder maar ze keert niet om. Ze twijfelt. “Is dit de juiste weg of moet ik de andere kant op?”, vraagt ze zichzelf hardop af. Ze schudt haar hoofd van links naar rechts. Een last van zich afschuddend. Aan de kant van de weg staat een verlaten fiets tegen een boom. De fiets roept haar. Ze stapt op en begint te trappen. Heuvel op, heuvel af. Totdat ze het kruispunt vergeten is. Met haar tong likt ze haar lippen af. Die smaken ziltig. Het wordt donker en weer licht.

Marit houdt halt als ze in de verte een houten hut ziet.  Ze legt haar fiets in het gras en ze wandelt richting de hut. De buitenlucht is heerlijk fris. Niet koud maar puur. Ineens herkent ze de smaak op haar lippen. Ze versnelt haar pas en rent de horizon tegemoet, de hut voorbij. Na enkele honderden meters staat ze bovenop een klif en kijkt ze uit over water. Kilometers lang alleen maar water, tot de horizon het opslokt. De oneindigheid dichtbij. Golven slaan ritmisch tegen de rotsen. Marit gaat zitten en kijkt en kijkt. Totdat haar lijf rilt van de kou.

Ze staat op, wrijft met haar koude handen over haar bovenarmen, en loopt terug richting de hut. Ze opent een houten hekje, de poort naar de tuin. Boomtakken hangen vol met bloesems, geuren die haar bedwelmen. In een moestuin groeien de eerste groenten van het jaar. Een paard staat in een afgezette wei, hinnikt en draaft weg. Bij de hut aangekomen staat de afgebladerde achterdeur op een kier. Marit duwt de deur zachtjes open, schraapt haar keel en vraagt bedeesd: “hallo, is daar iemand?”. Geen antwoord. Ze treedt binnen.

In de hut is het behaaglijk warm. Vanuit het keukenraam kijkt Marit uit over de klif. Prachtig. Ze loopt door naar de woonkamer. In een open haard knispert een vuurtje. Marit voelt zich beschut. Het huis ademt iets uit, dat ze niet kan thuisbrengen. Op de bank liggen twee katten. Eentje opent lauw zijn ogen en rekt zich uit. Tergend langzaam zoals dat gaat in kattenland. De kat springt van de bank en loopt naar Marit toe. Het beest duwt met zijn kop tegen haar been. En begint klaaglijk te miauwen. Honger. In Marits hoofd tuimelen beelden een voor een naar beneden. Geactiveerd door het bekende geluid. Ze wankelt en neemt plaats op de bank. Ze leunt met haar hoofd achterover. Haar ogen vallen op een ingelijste foto aan de muur en dan weet ze het. “Dit is mijn thuis”, zegt ze hardop terwijl de kat bij haar op schoot klimt.

Rechtdoor.

Marit steekt kordaat het kruispunt over. Ze kijkt naar links en naar rechts. De zijstraten ogen verlaten, die kanten wil ze niet op. Vooruit. Aangekomen bij een bushalte bestudeert ze de vertrekborden nauwkeurig. Ze heeft geluk. Over 10 minuten arriveert lijn 7 naar Edol. Marit installeert zich op een bankje in het bushokje. Ze eet met smaak een boterham met pindakaas en appelstroop.

Woorden op een digitaal reisinformatiebord beginnen druk te knipperen. Lijn 7 heeft oponthoud, 35 minuten. Marit zucht. Tijd voor koffie. 100 meter verderop staat een keet waar je koffie kunt halen. Het is er druk.  “Een koffie alsjeblieft,” zegt ze als ze aan de beurt is. Ze legt twee euro op de toonbank. Als ze de koffie aanpakt stoot een man haar per ongeluk aan. Hij verontschuldigt zich en maakt ruimte voor haar zodat ze de drukte kan verlaten. Gelukkig is de hete koffie niet op haar handen gespat. Teruglopend naar de bushalte nipt ze aan de koffie. Haar plek op  het bankje is nu bezet. Ze moet blijven staan.

Bij de halte neemt de drukte toe. “Als dat straks maar in de bus past”, denkt Marit geïrriteerd. Ze heeft er een hekel aan als haar neus in een oksel van een onbekende wordt geduwd. Dat ze botst tegen een medepassagier die zo’n leren handgreep vasthoudt, die aan de horizontale stang hangt. Ze wenst dan altijd dat ze iets groter was geweest. Als een chauffeur moet remmen ben je overgeleverd aan een krachtenveld én het humeur van de chauffeur. Sommige rijden rücksichtslos, zonder medelijden met de staande passagiers. Drempels en te scherpe bochten bestaan niet in hun wereld.

De tijd verstrijkt. Plotsklaps is lijn 7 van het informatiebord verdwenen. Zonder verdere toelichting. Een paar mensen druipen gelaten of morrend af. Ze zoeken een andere weg. In de verte komt lijn 5 aangereden, bestemming Tol. Marit besluit in te stappen en bij de chauffeur om informatie te vragen. Volgens de chauffeur ligt haar bestemming enigszins op zijn route. Marit besluit mee te reizen. Als ze aankomt op haar eindbestemming ziet ze wel weer verder.

De bus wordt volgepropt. De chauffeur wil niemand laten staan. Marit bedenkt dat de  drukte ook zijn voordeel heeft. “Je valt niet om, er is altijd iemand die je tegenhoudt, ” denkt ze. Bij de allereerste onstuimige remactie wordt haar neus in een onbekende oksel geduwd. Gelukkig is het deze keer niet erg. De medepassagier ruikt lekker. Naar dennenbomen en iets wat ze niet kan plaatsen. Marit sluit  haar ogen en snuift de geur op. Als ze haar ogen opent kijkt ze pal in twee donkere ogen. “Lekker druk hè. Ga je ook naar Tol? Dan kunnen we straks samen koffie drinken. Die heb je nog van mij tegoed, als goedmaker voor mijn lompe actie van net,” zegt de man nerveus. Marit kijkt hem vragend aan.  “O, sorry, ik zal mij eerst eens even voorstellen: ik ben David. En jij?”

De zondag in de zaak

Silvio woont met Marina, zijn vrouw, boven de zaak. Hij heeft de business 41 jaar geleden geërfd van zijn vader. Zijn vaders hart was stilgevallen. Ineens, was de man die zijn vader was, weg. Twee dagen na de begrafenis moest hij bij de notaris een krabbel zetten en toen was het geregeld. De zaak was van hem. Zijn vader had alles jaren van tevoren keurig vastgelegd. Het was geen man die dingen op zijn beloop liet.

Silvio vraagt zich nooit af of hij de zaak wil bestieren. Sommige dingen zijn zoals ze zijn. Dit is één van die dingen. Elke dag opent hij om 6.55 uur de houten rode deuren en schuift het ijzeren schaarhek terzijde. Een voor een druppelen zijn klanten, meestal mannen, binnen. Een enkeling mompelt zijn bestelling, drinkt in afzondering aan de bar een espresso en vertrekt. Anderen schuiven de stoelen rondom een houten tafel en starten de dag met een praatje. Over voetbal, tv programma’s, vrouwen of politiek. Ze schuiven de start van de dag voor zich uit. Geen ‘ja en amen’ zeggen tegen de baas of moeder de vrouw.  Van dit moment genieten, mannen onder elkaar.

De zondagen in de zaak zijn van Guiseppe en zijn familie, vrienden en kennissen. Andere families komen dan niet. Enkel wat verdwaalde toeristen die geen weet hebben van de ongeschreven afspraken. De zaak is van Silvio, maar op de zondag is dat alleen op papier. Die dag is Silvio in dienst bij Guiseppe. Gestoken in een nette grijze pantalon, wit gesteven overhemd positioneert Guiseppe zich centraal op een kruk voor de bar. De andere vormen een cirkel om hem heen. De voorstelling begint.

Als Guiseppe praat, luistert iedereen. De hoofden staan naar hem toegedraaid. De mannen lachen instemmend. Joviaal en uitgelaten. Je spreekt Guiseppe niet tegen. Je valt hem alleen in de reden als je een grap weet te vertellen, die hij waardeert. Je wilt hem ook niet in de reden vallen.  Guiseppe heeft dat afgedwongen. In de jaren die achter hem liggen. Nu zit hij hier aan het hoofd. Maar hij is de tijd niet vergeten dat hij één van de jonge mannen was. Mannen die nu tegenover hem staan. Mannen die zijn gestoken in jeans, T-shirts, sportschoenen, een gouden ketting om de hals en haren die met gel zijn besmeurd maar waarbij nog steeds geen sprake is van een model.

Als de mannen op de zondagochtend verzamelen, blijven de vriendinnen en de vrouwen thuis. Ze geven de kinderen eten en maken zichzelf mooi. Dat kost tijd.  Ze komen 1,5 uur later naar de zaak. Hun kleding is een tikje ordinair. De jurken zijn strak en kort, het liefst zwart met ritsluitingen als versieringen. De hakken zijn hoog en de haren lang en los. De lippen en ogen zijn dik opgemaakt. Maar net als bij de gel is hierdoor niet altijd sprake van een duidelijke verbetering.

Als de vriendinnen en de  vrouwen met kinderen de zaak betreden verandert de sfeer. Alsof de betovering verbroken wordt en de werkelijkheid naar binnen stapt.

Dat is ook zo. De vrouwen betreden de zaak vlak voordat 200 meter verderop in de katholieke kerk de mis begint. Het is tijd om te verzamelen en naar buiten te gaan. Iedereen begroet elkaar uitgebreid en uitbundig. Enkele gelovigen lopen naar de kerk om maar niet teveel te missen. Anderen blijven dralen om elkaar en in de zaak. Volgende week is er weer een mis.

Het kleine kerkje puilt uit. Er zijn hier meer gelovigen dan zitplekken. De deuren van het kerkje staan open en mensen staan bij de uitgang om de mis en wat er op straat gebeurt te volgen. De hoofden draaien heen en weer,  van de pastoor binnen naar het plein buiten. En weer terug.

Het gaat niet om de mis, maar om het gebeuren daarna. De lunch. De gezamenlijke zondag. De drank en de verhalen die vloeien. Zittend onder de parasols terwijl de kinderen spelen. Iedereen verheugt zich op wat komen gaat. Al weet niemand wat er komt.